De pruimendijk in 1906.

 

De eigenaar van de Zwijndrechtse waard, het z.g.n. Convent van St. Paulus en diens leenhouders, bleken niet bij machte een herbe-dijking te ondernemen. Het was de 22ste graaf van Holland, Graaf Willem III, bijgenaamd de Goede, die zijn schouders er onder zette. In 1331 maakte deze graaf het volgend plan bekend: ieder, die 1/16 deel of meer van de te bouwen dijk rond de waard voor zijn rekening zou nemen, zou ambachtsheer worden voor een evenredig deel van de bedijkte Zwijndrechtse Waard met alle voordelen daaraan verbonden. De waard werd daardoor verdeeld in zestien z.g.n. Ambachten. De eigenaar van zo'n ambacht was dus de ambachtsheer. De namen Heer Oudelandsambacht (de Pieterman) , Achterambacht en Hendrik Ido Ambacht o.a. herin¬neren hier nog aan. Hendrik Ido Ambacht dankt zijn naam aan één der ambachtsheren, genaamd Hendrik  IJdo. In het plan van de herbedijking werd tevens begrepen de afdamming van beide einden van de Waal en De Devel, zodat deze rivieren "dood" zouden worden en dus geen gevarenfactor meer zouden zijn voor overstromingen. Graaf Willem nam voor deze afdammingen zelf de kosten voor zijn rekening. Voordat hij met deze plannen op de proppen kon komen, heeft hij heel wat voetangels en klemmen moeten ontwijken en bovendien had hij in de machtige Hendrik van Brederode een geduchte rivaal. Hij slaagde er echter in om met deze tot een vergelijk te komen.


Afdammingen.


Ondanks dat duurde het nog tot 1332 voor de werkzaamheden een aanvang namen. Over de afdamming van de Waal moeten we vooral niet te licht denken. Het was een brede rivier met vrij in- en uitstromende getijden. Tegenwoordig hebben we de hulp van grote kranen, draglines en wat niet al voor technische hulpmiddelen. Toen hadden ze niets en toch presteerden ze het! Geen wonder dat de Hollanders in die tijd al beroemd waren als waterbouwkundigen. De dam aan de oostzijde, de Oostendam, werd 250 meter lang vanaf de punt waar de kop van de Pruimendijk aansluit bij de Molendijk en vandaar naar de Kerkstraat in
Hendrik-Ido-Ambacht. Na de voltooiing van deze afsluiting, die toch enkele jaren gevergd heeft, ging dit stuk van de Waal vrij spoedig verlanden en er ontstond een brede strook oeverland tussen de Pruimendijk en het water, dat tenslotte geheel verdween. Hoe kan dat, zult u vragen, want de Waal is daar nog wel degelijk, al is ze daar maar smal. Dat zit zo. Ten behoeve van de uitwatering werd in 1505 een sluis in de dam gemaakt, maar daartoe moest eerst weer een vliet gegraven worden door het dichtgeslibde gedeelte. Dat is nu nog steeds het smalle gedeelte. De sluis werd van hout gemaakt omdat men de draagkracht van de grond niet vertrouwde. De sluis werd vermoedelijk in 1636 door een stenen vervangen, maar bleek voor de uitwatering toch een mislukking. Voor de scheepvaart heeft hij echter goede dienst gedaan. Toen het beurtvervoer te water had afgedaan werd de sluis overbodig.
In de jaren 1949-1950 werd hij dan ook gedicht. De dam in het Zuiden, bij Heerjansdam dus, is veel langer dan die bij Oostendam n.l. 450 meter. De monding van de Waal moet dus hier heel groot geweest zijn, een bewijs ook dat hier vroeger een machtige rivier moet hebben gestroomd. Trouwens, de grote hoeveelheden zand, die hier zijn opgezogen, wijzen eveneens in die richting. Heerjansdam ontleent zijn naam aan een der zestien bedijkers van de Zwijndrechtse waard, te weten de ambachtsheer Jan van Rozendaal. Terloops zij opgemerkt dat ook bij de dammen die in de Devel zijn gemaakt, bevolkingscentra zijn ontstaan, te weten Grote Lindt en Kleine Lindt.
(wordt vervolg met deel 3, slot)