Personeel staalfabriek Bakker. Veel jannen met pet.

 

Ik wil u iets vertellen over kledingstukken die in mijn jeugd veel gedragen werden maar die je tegenwoordig niet meer ziet.
Laten we op veilig terrein beginnen met de mannen en wel van boven naar beneden.
Als eerste noem ik de alpinopet, u weet wel zo’n plat zwart of donkerblauw ding met een klein soort wurmpje bovenop. Als kind heb ik er ook nog een gedragen maar als ze je op school wilden plagen pakten ze in het voorbijgaan dat wurmpje beet en trokken hem zo van je hoofd. 
Oorwarmers, een soort koptelefoon als het erg koud was. Je hoorde niks en dat was soms wel eens makkelijk.
Dan heb ik ook nog een bivakmuts gedragen. Tegenwoordig dragen alleen nog bankovervallers zo’n ding maar ik heb ook een bivakmuts gedragen. Lekker warm en je kon hem ook voor je mond doen. Het nadeel was dat door je adem het stuk over je mond nat werd en als het echt  koud was bevroor dat stukje zodat je een harde ijsklomp voor je mond had hangen.
Mannen, en dan bedoel ik werkmannen, droegen vaak een platte pet. Wij hebben in de oudheidkamer foto’s van fabrieksmensen die allemaal een platte pet droegen. Ik denk dat daar de uitdrukking 'Jan met de pet’, de gewone man dus, vandaan komt.
Ik heb in mijn vroege jeugd een paar keer aardbeien en bonen geplukt bij tuinder van Pelt aan de Lagendijk en de opzichter, Cors de Pee, ging, als hij tussen de middag voor zijn eten bad, even ‘achter de pet’.
De hogere stand droeg een hoed, vaak een bolhoed ook wel een Garibaldi genoemd. Wij jongens zeiden ‘gadverbaldi’.
Als we wat lager gaan komen we bij de borstrok. Een ‘een recht een averecht’  gebreid mouwloos hemd met twee knoopjes op de schouder. Ik had ook zo’n ding en mijn moeder had er in een vlaag van kunstzinnigheid een konijntje ingebreid. Tenminste ze zei dat het een konijntje was maar ik heb dat er nooit in kunnen ontdekken en ik heb best een rijke fantasie. Dat was overigens wel het konijntje dat het het langste uitgehouden heeft bij ons want die in de schuur overleefden de Kerst meestal niet. Tegenwoordig is dat zielig maar toen was dat heel gewoon, een konijn at je op met de Kerst, daar waren ze voor.
Ook droegen veel mannen hemden met lange mouwen die Interlock genoemd werden en overhemden met losse boorden die dik in de stijfsel werden gezet. Ik zie mijn vader nog worstelen om dat ellendige ding om zijn nek te krijgen. En wat te denken van mouwophouders die moesten voorkomen dat de mouwen van je overhemd te ver over je handen hingen. In die tijd droegen de mensen wel meer dingen die moesten voorkomen dat er iets afzakte of ging hangen.
Bretels mogen we ook niet vergeten want anders zakte je broek af. Ze werden ook wel galgen genoemd en als kind zei ik er ‘galfjes’ tegen, lief he? 
Als ik uit school kwam trok ik een overall aan. Alleen zeiden wij geen overall maar een ketelpak. Ketelpakken werden veel op de fabriek gedragen en in het land. Ook droegen werklui vaak broeken van pilo, half linnen half katoen. In H.I. Ambacht stond een pilofabriek op de Veersedijk en ik heb wel eens gehoord dan ’t Ambachters Pilo’ers genoemd werden.
We zakken wat verder en komen uit bij de lange onderbroek. (Mannen vrees niet, ook de vrouwen komen straks nog aan de beurt met hun kledingstukken)
Mijn vader droeg bijna het hele jaar door een lange jaeger onderbroek. U weet wel met zo’n laag kruis dat ter hoogte van de knieën heen en weer slingerde. U hoeft het niet te zeggen maar het zou me niet verbazen als er in dit huis nog lange onderbroeken gedragen werden. Ik heb in het Dijkzigt ziekenhuis gewerkt op de Röntgenafdeling en daar kwam een keer een oude man voor een röntgenfoto. Hij droeg ook een lange onderbroek waar een niet echt schone bruine bovenrand aan zat. ‘Nou meneer, u had wel eens een schone onderbroek aan mogen trekken’ zei de laborante vinnig waarop de man zei; ‘Schoon?, ik heb deze pas drie weken aan.’
In die tijd zaten er nog geen ritsen maar knoopjes op de gulpen van de boven – en onderbroeken. Als je plassen wilde moest je dus soms wel acht knoopjes losmaken en als je erg nodig moest was dat soms net een knoopje te veel.
Nou, wat hebben we nog meer?
Broekklemmen om te voorkomen dat de pijpen van je broek tussen de ketting van je fiets kwamen. Sommige mannen deden het met wasknijpers, wel zo voordelig. Ik ben eens bijna de sloot ingereden toen de rechter broekspijp van mijn ketelpak tussen de fietsketting kwam.
O ja, sokophouders, ook van die vreemde dingen. Kennelijk zat er in die tijd nog geen elastiek in de sokken.
Als kind heb ik ook kniekousen gedragen en een plusfour die iedereen een ‘drollenvanger’ noemde. Ik net niet meer de tijd meegemaakt van het matrozenpakje waar vroeger bijna de hele jeugdige wereld in liep. De zee had ik toen nog nooit gezien. Wij hebben op de Oudheidkamer klassefoto’s waarop bijna alle jongens een matrozenpakje dragen. Ook meisjes zag je soms in zo’n pakje.
Als allerlaagste waren er nog overschoenen die je over je schoenen deed als het buiten nat was. 
Als heel klein kind heb ik nog klompjes gedragen maar dan alleen thuis als ik buiten speelde. Dat zal voor de meeste van u wel anders zijn, op oude foto’s staan bijna alle kinderen met klompen aan. Waren schoenen alleen maar voor rijkelui’s kinderen?
Nou, dat waren de mannen, de volgende keer komen de vrouwen aan de beurt.