Contact gegevens

Stichting Oud Ridderkerk

Kerksingel 26

2981 EH  Ridderkerk

Telefoon: 0180 - 430615

Email algemeen: info@oudridderkerk.nl

 

Openingstijden:

Woensdag 13:30 - 16:30 uur
Donderdag 13:30 - 16:30 uur
Vrijdag 13:30 - 16:30 uur
Zaterdag 13:30 - 16:30 uur

 

Toegang is gratis!

Expositie Agenda.


Donateur worden?


Privacy-verklaring


 

Wat er zoal gebeurde in Ridderkerk.

In het vorige artikel lazen we dat honderd jaar kerkenraadsnotulen van de eerste gereformeerde gemeente (1574 – 1675) voor het eerst integraal openbaar zijn gemaakt. Deze notulen zijn door en door menselijk opgeschreven, ontdaan van iedere opsmuk. Vooral Hermes Celosse, die van 1642 tot 1675 in Ridderkerk werkzaam was, beschreef uitgebreid wat aan de orde kwam. Hij was er getuige van, dat de schoenmaecker en Cornelis Ariensz Baes zo luid aan het ruzie maken waren, dat de predikant, die in zijn poort stond, het allemaal kon horen.

De predikant, die doorgaans zelf notuleerde omdat zijn medekerkenraadsleden niet konden schrijven, beschreef het in 1645 als volgt: “alwaer deselfde personen hebben bekent te saemen gekeven te hebben ten huijse van den schout, dat se malkanderen hebben met veele leelijcke woorden bejegent, dat se malkanderen hebben geslaegen, welckers gerucht soo luijt over het dorp is gekloncken, dat den predicant hetselfde in sijne poorte staende, heeft konnen hooren, en dat in ’t bijwesen van verscheijden persoonen, die mede tot den schout in huijs waeren, en van buijten stonden en luijsterden. (…) Hier kompt noch bij dat de voornoemde Adriaen bekent droncken geweest te sijn. Daerenboven dat hij sijnen soon haelende, hem soude hebben aengeport, om Cornelis Ariaensz Baes te steecken of te snijden.

Vechten, drinken en dronkenschap kwamen veel voor. Dat gold de reeds genoemde Cornelis Jacobsz (boekhouder), waarvan in 1613 geschreven staat: “Alsoo hij in gewoonlijcke dronckenschap was”, en ook in al de dingen die daar bij horen, als “vechten op den dijck, mit sijn wagen en peerden een heelen nacht overslapende niet wetende waer hij was”. Ook “Pieter Jansse lapper [172] komt voor, die op Paesdach voor de predikatie droncken in de kercke was gekomen, so dat men hem te huijs leijden moste [1639]. Pieter beloofde beterschap. Dat gold niet Sent Fransz. Van hem wordt vermeld, dat hij, “een dronckert sijnde, eenen openbaeren dronckaert blijft, sonder hem te willen beteren” [1644]. Hendrik Geeritz van Gameren liep in 1644 door dronckenschap in een sloot. Van Arien Romboutsz Stappers wordt vermeld dat van hem het gerucht ging dat hij zat te zingen op de “bierbanck” [1595]. Is die “bierbanck” de voorloper van de bankjes die nu nog her en der in het dorp staan, om de laatste nieuwtjes te bespreken?

Dirck Jorisz viel op door een “openbaer gevecht te Rijsoort met Jan de Coster uit Kyfhoeck. Cornelis Pietersz aen de molen, alsoo dese in verschil gecomen is mit een anderen timmerman, heeft den timmerman gequetst, alsoo dat hy lange mit de wonde moeste gaen eer sy geheelt wierd. En – om niet meer te noemen – trok de dronken Jan Doomijnuijt in 1634 in boosheid zijn mes en kwetste zijn vrouw. Hij beloofde de kerkenraad dat het niet meer voor zou komen.
Het valt op, dat de leden van de nieuwe kerkgemeenschap zich vrijwillig onderwierpen aan het gezag van de kerkenraad. Hoogstzelden kwam de schout of de baljuw – als vertegenwoordiger van de wereldlijke rechtbank – er aan te pas. De kerkenraad had, indien er iets aan te merken viel, geen ander machtsmiddel, dan dat men van het Heilig Avondmaal geweerd zou worden. Ondertussen werd het als een schande in de gemeenschap gevoeld wanneer die sanctie inderdaad werd opgelegd. Het was normaal, en het werd ook nadrukkelijk bevorderd dat ieder lid van de gemeenschap deel nam aan het Heilig Avondmaal.

Feesten kon men ook. “Een groot getall der litmaten deser kercke” zijn zich te buiten gedaan in dansen bij een bruiloft. Vooral bruiloften werden goed gevierd. Hier komt de oude gewoonte van “huwelijkse beloften” om de hoek kijken. In 1644 vertelde Ariaentien Ariens, dochter van Ariaen Gielen, dat er huwelijkse beloften zijn gedaan tussen haar en Teeuw Pleunen, bekrachtigd door een “gauden penningh”. Inmiddels waren er problemen gerezen. Ze achtte de penning van nul en generlei waarde, hield het met iemand anders, namelijk de jonghen Nuchteren, en de vader van Ariaentien had de penning de deur al uitgesmeten “niet wetende waer hij voorts gebleven mochte sijn”.

Zo zijn er vele verhalen te lezen. Nooit is iets genoteerd uit sensatiezucht. Eigenlijk wordt een ongemakkelijk doorkijkje geboden naar het leven van mensen in de moeizame start om te komen tot een geregeld en netjes leven. In die zin is het een wonder, dat die gemeenschap nog springlevend is. In een volgend artikel komen diverse namen ter sprake, die eeuwenlang met Ridderkerk zijn verbonden geweest.
Het boek “Een gemeente in opbouw” is te koop bij de Stichting Oud Ridderkerk, Kerksingel te Ridderkerk, voor de prijs van 25 euro.