Contact gegevens

Stichting Oud Ridderkerk

Kerksingel 26

2981 EH  Ridderkerk

Telefoon: 0180 - 430615

Email algemeen: info@oudridderkerk.nl

 

Openingstijden:

Woensdag 13:30 - 16:30 uur
Donderdag 13:30 - 16:30 uur
Vrijdag 13:30 - 16:30 uur
Zaterdag 13:30 - 16:30 uur

 

Toegang is gratis!

Expositie Agenda.


Donateur worden?


Privacy-verklaring


 

De Vierdaagse 1948. Hier keek de 'plisie' uit Ridderkerk er even niet naar.

 

Als er vroeger iets gebeurde wat niet helemaal door de beugel kon zeiden we; het mos niet magge of; de plisie mos er naar kijke.
Dat was nog in de tijd dat de ‘plisie’ alleen door hun aanwezigheid al indruk maakte.  Dat was over zodra er gesproken werd over ‘oom agent.’
Van iemand die niet de waarheid sprak, zei men; ‘hij liegt of het gedrukt staat.’
Alsof alles wat gedrukt staat de waarheid is. Dat was niet zo maar; papier is geduldig.
Iemand die met horten en stoten lachte, lachte op afbetaling. Tegenwoordig heet zoiets een persoonlijke lening waarvan sommige mensen gedacht hebben dat ze die niet af hoefden te betalen. Vandaar de waarschuwing; lenen kost geld.
Iemand waar weinig leven in zat was een dooie diender en iemand die wat stijfjes over kwam een houten klaas.
‘Ik ben geen filosofische instelling’  zei eens iemand tegen me toen hij vertelde dat hem om geld gevraagd was. Hij bedoelde waarschijnlijk filantropische.
‘Zit hem niet zo te négeren’, (met de klemtoon op de eerste lettergreep) zei mijn moeder als ik mijn broertje plaagde, wat bijna nooit gebeurde.
En als ik om geld vroeg zei ze; ‘Ik ben Rothschild niet’.
Lang heb ik gedacht dat die naam een scheldwoord was tot ik ergens hoorde dat Rothschild een rijke, ik meen Franse, bankier was.
Wat is het toppunt van gladheid? Een paling in een emmer snot. (bah, smerig, een levende paling alleen is al zo slijmerig) Het toppunt van lawaai zal ik u maar besparen omdat dat tamelijk grof is.
Van eten waar je gauw vol van zat zei mijn moeder; het foeit (voedt).
Ik was (en ben) niet zuinig op mijn kleren wat vaak de opmerking opleverde; ‘jij ben niks nut, kijk eens je kleren liggen in één piskreuk’.
Iemand die weinig kleren aanhad was lucht gekleed en eten dat precies genoeg gezouten was, was goed van zoute.
Vaak deed ik in haar ogen onzinnige dingen en dan vroeg ze; waar heb dat nou voor nodig? Meestal wist ik het niet want niet overal is een reden voor.
Zaad dat slecht kiemde in de groentetuin kwam niet van z’n end af en tuinbonen heetten Roomse bonen. 
Loof heette lof en snijbonen groeiden langs staken.
‘Zit niet zo te drusse’,  hoorde ik als ik ergens te lang over door zeurde.
‘Ik ben niet zo wit met hem’ , zeiden we over een oppervlakkige kennis en iemand die iets deed wat we niet wisten was de aap vlooien.
‘Die appelen vaart die appelen eet’, zei men over iemand die iets van zijn werk mee naar huis nam (en dan bedoel ik niet om thuis nog wat aan te werken)
Poep je niet dan rust je toch was het gezegde als het op het toilet niet lukte.
Iemand die alleen was had kind (ook wel kip) noch kraai, zelfs als hij in Rijsoord woonde. En iemand die vroeg naar bed ging, ging met de kippen op stok. 
Ik had en heb wat je noemt peehaar (vroeger wat meer dan tegenwoordig) en als mijn moeder met veel water en moeite een slag in mijn haar gelegd had zei ze; kijk eens aan, de slag van Wassenaar. Maar het bleef een pleeborstel.
Als je iemand niet verstond vroeg je, wat zeggie? Dan kon je het antwoord als je valt dan leggie, krijgen of als je he zei zeiden we ja, dat is een afkorting van hengst. Het slaat nergens op, maar we zeiden het wel.
Wat we nog meer zeiden vertel ik u later nog wel een, er is nog ‘zat’.

Teun Rijsdijk