Sija van Maastricht.

 

Toen ik voor het boek Ridderkerk en de Tweede Wereldoorlog een hoofdstuk over de Ridderkerkse scholen in oorlogstijd wilde schrijven, kwam ik in contact met Sija den Buitelaar-van Maastricht. Een aantal scholen in Ridderkerk had een goed verzorgd gedenkboek. Maar de Nutsschool? Daar wist ik onvoldoende van. En een gedenkboek? Dat was er niet. Sija reageerde op een oproep die ik bij de SLOR deed. Zij had tijdens de oorlogsjaren op de Nutssschool in de Willemstraat in Slikkerveer gezeten. Met haar kon ik komen praten.
Het overgrote deel van haar leven heeft ze in Slikkerveer gewoond, ook na haar trouwen met leraar Jan den Buitelaar. Toen de oorlog begon was ze vier jaar. In 1942 ging ze naar 'de grote school'.

Waarom was er een Nutsschool en geen gewone openbare school? 
'Dat heeft alles te maken met Electro Smit Slikkerveer, het elektrotechnisch bedrijf op de Ringdijk. Weet je, daar werkten nette burgers, geen scheepsarbeiders met eeltige handen en een heel andere, harde mentaliteit. De school had wel iets elitairs. Kinderen van de gegoede burgerij zaten er op. Toch was het een gewone school met gewone kinderen. Ik heb er een fijne tijd gehad. Cor Pot, die toen directeur van Electro was, heeft veel voor de school gedaan. Zijn vrouw Geertje hield van kinderen. Zelf had ze er geen. Ze kwam graag even langs op school. Dan werd in haar aanwezigheid een liedje gezongen. Daar genoot ze zichtbaar van. Wat ik nooit vergeet is dat ze in de oorlog op school een sprei kwam brengen. Er was toen een schreeuwend gebrek aan katoen voor de handwerkles voor de meisjes. Die sprei mocht helemaal uitgetrokken worden. Daarna kreeg elk van ons een hoeveelheid katoen om een hieltje in een sok te leren breien. Toen ze overleed stonden we met zijn allen in de kou rond haar graf. Daar was ik diep van onder de ondruk.
Eerst was meneer Verhoeven, de vader van de later bekende regisseur Paul Verhoeven, hoofd van de school. Maar die vertrok in 1943 naar Den Haag. Toen kwam Meneer Van Asperen. Juf van Kooten was mijn favoriete juf. Meester Geensen was toen ook onderwijzer bij ons op school. Hij trouwde met iemand uit Slikkerveer en verhuisde naar het oosten van Nederland.'

We kijken in haar fotoboek. Er zit een vierkant Kinderlegitimatiebewijs van het Nederlandsche Roode Kruis, gemaakt van cellulosekarton, ingeplakt. 

'Alle kinderen moesten dat dragen voor identificatie. Het werd door de school uitgedeeld. Het was bedoeld om ons te kunnen identificeren als er bommen op de school zouden vallen. Ja, dat kon gebeuren. Als het hoofd van de school het alarm (hij blies op een hoorn) liet afgaan, moest iedereen snel onder de bank gaan zitten. Er werd ook wel geoefend om zo vlug mogelijk over de bruggetjes de school verlaten. Naast de school was open bouwland. Daar moesten we onder veel gelach in de greppels bij elkaar gaan liggen. Snap je, we realiseerden ons totaal het gevaar niet!'

Het waren strenge winters in de oorlogsjaren. Was er genoeg brandstof om de klas warm te stoken? 
'Ja, eerst nog wel. De grote jongens op school moesten kolen scheppen. Een grote ronde kachel stond achter in de klas. Vlakbij viel je van de warmte in slaap, veraf zat je te kleumen van de kou. Het schooljaar 44/45 werd er geen les meer gegeven. Toen zaten de Duitsers in het schoolgebouw. Thuis werd brandstof een probleem. Vader ging met anderen naar het suikerbietenveld. Daar hadden de Duitsers grote palen in de grond geslagen om luchtlandingen te voorkomen. Die zaagden ze stiekem om.'

En was er elektriciteit?
'Dat was er aan het eind niet meer. Thuis stond een fiets waarop mijn broer Dirk rond trapte om elektriciteit op te wekken en een lichtje te laten branden. Dan kon ik wat werken of lezen.'

Deelde de school voedsel uit?
Volgens Sija niet, ze herinnert zich geen uitdeling van soep bijvoorbeeld, zoals op andere scholen in Ridderkerk gebeurde.
'Zelf hadden we thuis wel wat te eten. Vader roeide soms het Haringvliet over naar Fijnaart, zijn geboorteplaats, om daar tarwe en aardappels halen. Thuis knutselde hij zelf een oventje in elkaar. Het werd aan het eind van de oorlog steeds armoediger. Iedereen ging slechter gekleed en werd steeds magerder. Mijn broer mocht gelukkig een keer in de week bij een boer komen eten, dat wel. Slager Van Dam in de Oranjestraat die tegenover het huis van 'Rooie' Rook in de Oranjestraat woonde, moest voor de Duitsers slachten.
Als kind stond ik wel eens bij het muurtje van de zaal van de Algemeene Nederlandsche Metaalbewerkersbond van Rook. De Duitsers zaten daar in. Op een keer kreeg ik van een van hen een aai over mijn bol en werd er gevraagd of ik honger had. Op mijn knik van ja kreeg ik een boterham mee die als trofee door mij het huis binnengedragen werd. Maar moeder was daar helemaal niet blij mee. Moeder was voorzichtig en ook bang als een Duitser naar binnen wilde om bij haar de koffiebonen te malen in de koffiemolen. Die had hij bij ons aan de muur zien hangen. Ik kroop dan snel weg onder de tafel. Ik voelde de spanning bij mijn moeder.'

'Rooie' Rook? Dat was toch het SDAP-raadslid en latere PvdA-wethouder? 
Sija: 'Ja, het was een strenge en dominante man met een lieve vrouw. Rook heeft veel voor mijn vader gedaan toen hij tbc had. En hij heeft ervoor gezorgd dat mijn vader in Hilversum in sanatorium Zonnestraal terechtkwam. Rook had als eerste in de buurt een brommer. Een Berini. Als die niet aan wilde slaan, dan reageerde hij, driftig als hij was, nogal eens heftig. Ik vergeet nooit Rook en zijn poes Molly. Natuurlijk: een rooie! Hij was dol op dat beest. Als Molly zoek was, schalde zijn stem achter door de tuinen: "Molly! Molly!" Zo was de man ook.'
Dick de Winter