Pakhuis, vrachtwagen en ventwagen aan de Boezemkade in Bolnes.

 

Hoe zijn jullie 'in de groenten' verzeild?


"Ik ga terug in de tijd. Mijn opa Gielen was tuinder. Mijn vader had geen zin om zijn vader op te volgen. Hij ging liever met een platte wagen vol groenten met een paard ervoor langs de deur. In 1937 startte hij een zaak in een pakhuis aan de Majubastraat 3. Dat werd in een buurtwinkel omgetoverd. Moeder stond in de winkel, terwijl vader 'aan de weg' was. Twee oudere broers van me namen het werk van vader over met paard en wagen met opbouw. Vader werkte voortaan in de winkel. In 1960 is de zaak gemoderniseerd. Het pakhuis stond aan de Boezemkade."

 

En jijzelf, hoe werd jij groenteboer?


"Ik kwam in 1966, op veertienjarige leeftijd, van school: 7 jaar lagere school op de Christelijke School in Bolnes en een jaar Technische school. Op de Technische school had ik het prima naar mijn zin. Vooral het handwerk beviel me uitstekend. De leraar was teleurgesteld dat ik van school ging. Mijn vader was met een fruitmand bij de directeur van de Technische school op bezoek geweest. Gevolg: ik mocht 2 maanden eerder van school. Ik moest het groentevak in. Je moet niet denken dat ik als kind na schooltijd vrij was. Er was altijd wat te doen. Ook zaterdag was ik de hele dag in touw voor mijn vader. Spelen met vriendjes, vergeet het maar. Dat vond ik wel jammer. Ik stond eerst vijfjaar in de winkel bij mijn vader. Nee, dat was niet mijn leukste tijd. Boodschappen gingen meestal nog op de pof. Aan het eind van de week werd alles op een briefje geschreven en moest er worden betaald. Sommige mensen hadden het moeilijk en kwamen mijn vader vragen of het bedrag nog een week mocht blijven staan. Mijn vader was best goedig. Ik weet nog dat iemand voor de winter aardappelen wilde laten storten maar nog niet voor de vorige winter betaald had. Mijn vader keek de huiselijk situatie aan en zei: 'Gooi maar vol. Het komt wel goed'.

 

Wanneer begon voor jou het venten?


"Op 19-jarige leeftijd haalde ik mijn rijbewijs en kon met de auto, de Opel Blitz, gaan doen wat ik graag wilde: venten. Nee, niet alleen met groenten. Ook met eieren, bloemen en koekjes. Er was concurrentie van anderen. Van sanering was geen sprake. Daardoor was er soms, laat ik het maar 'wrijving' noemen. De klanten waren best trouw. Ik vond het helemaal niet erg om voor een vrouwalleen een bloemkool of een stoel andijvie door midden te snijden.
Mijn wijk was oud-Bolnes, maar ik hield tijd over. Wat dan? Toen heb ik in IJsselmonde de Beverburgh en in de wijk Lombardijen (Rotterdam) Het Lichtpunt erbij genomen. Mijn collega's verklaarden me voor gek. 'Hoe kan je dat nou doen die bejaardenflats! Die oude mensen kopen maar een half onsje snijbonen van je. Dat wordt niks, Bas', zeiden ze. Maar het werd wel wat. Meer dan 35 jaar heb ik met plezier in Het Lichtpunt gewerkt. Dinsdag van 6 uur tot 8 uur 's avonds en op vrijdagavond van 6 uur tot 9 uur. Ik richtte een winkeltje in in de hal, plaatste er een zithoekje en breidde de verkoop uit naar de wensen van de bewoners en de visite die langs kwam. Zoals aardbeien, bloemen en planten, koekjes, fruitmanden en smaakvolle bloemstukken die door mijn vrouw in het pakhuis werden klaargemaakt. Ik heb altijd alle medewerking van de huismeesters gehad. Ik kreeg de sleutel om van tevoren de spullen in de hal klaar te zetten. Er was vertrouwen. Er ontstond ook een band met de bewoners. De winkel werd een contactpunt voor de bewoners waar plezierig met elkaar gekletst werd. De visite nam met graagte ('Oh, verkoop je dat ook?') naast een bakje aardbeien een bloemetje of een plant mee naar boven. Er waren bewoners die tegen visite zeiden dat ze maar liever niet op dinsdag moesten komen. Een dochter zei eens tegen me: 'Moeder zei dat ik maar beter weg kon blijven want Bas Gielen was er. Dan zat ze beneden'. In de hal was het warm. Ik hoefde niet langs de deuren. Mijn spullen konden niet bevriezen, in de winter een groot voordeel. En mijn wagen stond vlakbij. Ik kon de spullen gemakkelijk aanleveren. Na een tijdje zagen mijn collega's wel in dat ze zich grandioos vergist hadden."

 

Maar het was wel hard werken.


"Jazeker, ik had soms wel 70 of 80 mensen op een dag. Met" mijn wijk Bolnes en de flats in IJsselmonde en Lombardijen kon ik een goede boterham verdienen. Mijn vrouw - we trouwden in 1975 - heeft gelukkig altijd achter me gestaan en hard meegewerkt. Dat moet wel, anders gaat het niet. Het waren lange dagen van wel 80 uur. Mijn vrouw hielp mee op dinsdag en woensdag en op het laatst ook op zaterdag, evenals mijn twee dochters. Als ik om 9 uur 's avonds thuis kwam en dan nog naar een verjaardag moest, is het wel voorgekomen dat ik naast de warme kachel in slaap viel. Plotseling hoorde ik zeggen: 'We gaan naar huis'. 'Wat? We zijn er net', antwoordde ik. 'Nee joh, je hebt de hele avond geslapen'. Dat gebeurde. ,
Later kwam de IJsselburgh in Rotterdam-Beverwaard - die wijk ligt tegen Bolnes aan - er nog bij. Ook daar kon ik mijn spullen in het gebouw kwijt. Ik heb daar 25 jaar op woensdagochtend met veel plezier gewerkt." 


(Wordt vervolgd met deel 2.)


Dickde Winter