De tewaterlating van het eerste caisson.

 

Als we gebeurtenissen van vroeger nog eens de revue willen doen passeren, is het goed daarbij ook te betrekken bijzondere opdrachten bij een Ridderkerkse scheepswerf, in dit geval Boele's Scheepswerven en Machinefabriek B.V. In het Boele Nieuws van juli/augustus 1960 werd melding gemaakt van de opdracht van Rijkswaterstaat tot het bouwen van twee caissons, bestemd voor de bouw van de Van Brienenoordbrug, de brug tussen IJsselmonde en Kralingse Veer over de Nieuwe Maas.
Boele was daarvoor in de dichtstbijzijnde locatie, met bovendien een nieuwbouwhelling van ongeveer 40 meter breedte, het meest geschikt. Afmeting van de caisson één, de kelderpijler, 38,00 meter lang, 38,00 meter breed en 10,00 meter hoog. De tweede caisson, de brugpijler waarop het beweegbare deel , de klap, van de brug ligt, met afmetingen: 56,00 meter lang, 20,00 meter breed en 11,50 meter hoog. De caissons zijn gebouwd onder de bouw nummers 997 en 998. Het was een vreemd gezicht nu op de nieuwbouwhelling geen schip in aanbouw te zien maar staalconstructie, die van boven gezien leek op een honingraat. Hetgeen gebouwd werd zal, hoe gek gezien, ver onder water en erger nog diep onder de grond zijn verdwenen.
De eerste caisson (bestemd voor de kelderpijler) leek van de bovenkant gezien het meeste op een honingraat met zestien dubbelwandig cellen. Het gevaarte zou drijven op deze wanden en gesleept worden naar de plaats van bestemming. Daar aangekomen werd in deze wanden grof grind gestort, waarna lussen dit grind, onder druk, mortel werd gespoten. Het geheel werd daardoor een zeer compacte massa, bestand tegen hoge druk. De op deze wijze gevormde beton noemde men injectiebeton.
Onder rivierbodem
Op de werf was in de dubbele wanden al een twee meter vanaf de bodem beton gestort, voorzien van stalen vlechtwerk. Was de caisson eenmaal afgezonken op de rivierbodem, dan kon hij door zijn gewicht langzaam in de modder zakken. Tijdens dit zakken werd de constructie van de kelderpijler zelf verder omhoog opgetrokken en bestond uit gewapend beton, waarvoor een normale houten bekisting werd gebruik!. Op de plaats waar de kelderpijier moest komen, was de rivier acht meter diep, zodat er tijdens het verder zakken tijd was het andere beton te storten en te laten drogen. Verder de constructie optrekkend zakte de caisson steeds dieper in de modder tot hij stuitte op een zandplaat, die stevig genoeg was om het gehele gevaarte te dragen. De laag modder waar de caisson doorheen moest was zestien meter dik en zo verdween dit werk tot een diepte van 24 meier onder Normaal Amsterdams Peil.
Toen het gevaarte eenmaal op de zandplaat rustte, werden alle cellen leeggepompt en gevuld met injectiebeton. En zo is de door Boele gebouwde caisson niets anders geweest dan een bekisting, zijnde het fundament, waarop het gehele bedieningshuis, met motoren, generatoren en de kelders voor de tegenwichten van de klapbrug, kwam te rusten.
De tweede caisson, welke een ovale vorm had is op dezelfde wijze gebruikt voor het opbouwen van een hoofdpijler, waarop de klap van de brug kwam te rusten. Op 24 april 1961 is onder grote belangstelling bouwnummer 997 te watergelaten. Aanwezig waren o.a. een verslaggever van de A.V.R.O. die de rapportage 's avonds op de radio uitzond. Ook aanwezig waren een 100 tal leerlingen van lagere technische scholen uit Rotterdam en Krimpen. Direct na de tewaterlating werd de ponton naar de bestemming gesleept, zijn de afsluiters in de caisson opengedraaid , zodat de caisson op de rivierbodem kwam te staan.
Ger de Jong