Na zonsondegang waagden niet veel mensen zich in de donkere bomentunnel.

 

Onder de Donckse bomen

Daar leit een Engels schip

De Fransen bennen gekomen

Ze zijn zo rijk als ik

Maar Engeland is gesloten

En de sleutel is gebroken

Er is geen ene smid in 't land

Die de sleutel maken kan

 

Met de Donckse bomen werd vroeger niet bedoeld het park van Huys ten Donck. Nee, dat noemde men niet anders dan "het bos" of "het binnenbos" De Donckse bomen waren uitsluitend de hoog opgaande iepen ter weerszijden van de kale dijk tussen Slikkerveer en Bolnes. Er zijn niet zoveel mensen meer die zich die machtige allee kunnen herinneren, gevormd door meer dan 200 bomen. Bij de storm in de nacht van 13 op 14 januari 1916 was namelijk overduidelijk gebleken, dat die bomen een groot gevaar inhielden voor de veiligheid van onze polders. Het omwaaien van zo'n grote iep (ijpeboom zei men meestal) zou een reusachtig gat in de dijk hebben kunnen veroorzaken met alle gevolgen van dien. De genoemde storm, die vooral rondom de nog open Zuiderzee enorme schade veroorzaakte en waarbij ook de buitendijkse delen van Ridderkerk overstroomd raakten, werd dan ook aanleiding om alle bomen die in het dijkstalud stonden te rooien. Dat gebeurde zodra het winterseizoen achter de rug was. Een zeer groot deel van deze bomen was omstreeks 1810 geplant door Otto Paulus Groeninx van Zoelen en het was zijn kleinzoon Otto Frédéric Groeninx van Zoelen, die er afstand van moest doen. Het valt licht te begrijpen dat het onder die kruinen altijd schemerig was. In een tijd dat er hier van openbare verlichting nog geen sprake was, waagde men zich na zonsondergang niet gauw in die duistere tunnel. Verkeer 's avonds tussen Bolnes en Slikkerveer was er alleen bij voldoende maanlicht. Daarmee werd zoveel doenlijk rekening gehouden, maar door plotselinge buien liep ook dat wel eens anders. Niet iedereen zal het verhaaltje kennen van Kaatje (of Keetje) uit Bolnes. Die moest eens van een bezoek in Slikkerveer terug naar haar dienstje en het werd aardedonker. Eén der aanwezige knapen had wel voldoende courage om zijn begeleiding aan te bieden. Na enkele glaasjes anisette gedronken te hebben, durfde hij dat kwarweitje wel aan. Maar Keetje moest wel eerst de zeer nadrukkelijke verzekering hebben dat de galante jongeman geen misbruik zou maken van de situatie en dat hij haar niets, zou doen.
Het stel ging tenslotte welgemoed op pad en Keetje liet haar begeleider, toen zij de laatste huizen van Slikkerveer naderden, opnieuw plechtig beloven haar niets te zullen doen. Zij trokken onder de Donckse bomen me kloppend hart verder. Plots stond het meisje stil en bleef 2 passen achter. Op de vraag wat er schortte kreeg de jongeman te horen: "als je me toch wat zou willen doen, mot 't wel nou gebeuren, want we zit te bekant al op Bolnes". Het zou best goed afgelopen zijn, nemen we aan.

 

Deze bijdrage over de geschiedenis van Ridderkerk is van de bekende amateurhistoricus Jan van Es (1910-1993) Hij schreef het verhaal op 5 april 1984.