De enige nog overgebleven handbrandspuit van Ridderkerk.

 

De laatste vrijwillige commandant van de Ridderkerkse brandweer T.P Verhoeff schreef in het boek "Ridderkerk na de Tweede Wereldoorlog" een uitgebreid hoofdstuk over de ontwikkelingen bij de brandweer na 1945. Het hoofdstuk bevat daarnaast een keur aan anekdotes over die tijd. Ook schreef hij in 1994 mee aan boekje no. 22 van de historische reeks van de Oudheidkamer "Van blusemmer tot tankautospuit". 
In dat boekje beschrijft hij dat vroeger elke dorpskern van Ridderkerk een eigen brandweerpost had en hoe dat daar toen toeging. De handbrandspuit van Slikkerveer is bewaard gebleven. De brandspuit die u afgebeeld ziet werd door de gemeente in 1898 aangeschaft bij de brandspuitenfabriek in Heiligerlee. De prijs van de spuit bedroeg, inclusief alle toebehoren, f 600,75. Maar dan had je ook het nieuwste van het nieuwste.
Na de centralisering van de brandweer is de spuit overgebracht naar de kazerne aan de Klaas Katerstraat en heeft daar jaren in een hoekje gestaan. Toen in 1983 de Oudheidkamer aan de Kerksingel werd geopend is de Slikkerveerse handbrandspuit naar het plaatselijke museum overgebracht en is daar keurig opgepoetst door de vrijwilligers en is er nu één van de pronkstukken. Maar ook in 1981 verhaalde 
de commandant in deze rubriek, die dus al bijna veertig jaar deel uitmaakt van de Combinatie, reeds over de geschiedenis van de brandweer in onze woonplaats en over de Slikkerveerse brandspuit. Hij vertelt daar: Dit is enig nog overgebleven handbrandspuit van Ridderkerk die aan het eind van de negentiende eeuw werd aangeschaft. In die tijd was iedere man die in Ridderkerk woonde in principe verplicht dienst te doen bij de brandspuiten. Jaarlijks werd een lijst gepubliiceerd van degenen die daarvoor aangewezen waren. Alhoewel de mogelijkheid bestond om je van je verplichting te ontdoen door deze aan een ander over te dragen. Je moest die ander dan wel een vergoeding betalen.
Er was veel mankracht nodig om een brandspuit uitgaande te houden en niet iedereen was zo gelukkig met het feit dat hij verplicht bij de brandweer was. Daarom waren er nogal wat functionarissen die moesten toezien dat iedereen zijn plicht deed en dat alles ordelijk verliep. Per brandspuit waren dat twee brand-meesters, twee inspecteurs en de eigen commandanten van de manschappen. De brandmeesters zorgden voor een zo goed mogelijke aanpak van de brandbestrijding, de inspecteurs namen de penningen in van de opgekomen manschappen om zodoende onder andere te controleren wie niet was opgekomen, terwijl de commandanten van de manschappen ervoor zorgden dat men regelmatig werd afgelost en fungeerden tevens als spreekbuis voor de manschappen. Het loon bedroeg 20 cent per uur. Dat
lijkt niet veel maar u moet dan wel bedenken, dat de afgebeelde handbrandspuit voor slechts f 1,50 per spoor en paard en wagen werd vervoerd van Heiligerlee naar Ridderkerk.
Degene die het eerst de burgemeester in kennis stelde van de brand en de juiste plaats wist te melden kreeg een beloning van f 3,-. De burgemeester gaf dan weer opdracht om alarm te geven. De verordening zegt daarover 'De klok zal daartoe des nachts worden geluid en bij dag geklept." Bij vriezend weer waren de bewoners van de buurt waar de brand was, verplicht om kokend water voorhanden te hebben. Op bevel van de burgemeester moest het water worden aangewend ter voorkoming dat de bewegende delen van de brandspuit vast zouden vriezen.
1981 T.P. Verhoeff