Contact gegevens

Stichting Oud Ridderkerk

Kerksingel 26

2981 EH  Ridderkerk

Telefoon: 0180 - 430615

Email algemeen: info@oudridderkerk.nl

 

Openingstijden:

Woensdag 13:30 - 16:30 uur
Donderdag 13:30 - 16:30 uur
Vrijdag 13:30 - 16:30 uur
Zaterdag 13:30 - 16:30 uur

 

Toegang is gratis!

Expositie Agenda.


Donateur worden?


Privacy-verklaring


 

 

In 1990 was het 150 jaar geleden dat de provincie Holland werd gesplitst in Zuid- en Noord-Holland. Voor de Culturele Raad Zuid-Holland was dit de aanleiding om een onderzoeksproject te organiseren rond het thema “Het dagelijks leven in Holland in 1840”. Ook medewerkers van de Stichting Oud Ridderkerk hebben veel tijd in dit project gestoken. Van hun resultaten verscheen een boekje met de titel  “Ridderkerk en Rijsoord omstreeks het jaar 1840”. Het boekje, dat werd uitgegeven ter gelegenheid van het 25 jarig bestaan van de Stichting Oud Ridderkerk, bevat de meest uiteenlopende gegevens over onze gemeente in die tijd. Verhalen over Overheid en Bestuur, de kerken en de scholen en uiteraard de leefomstandigheden. Aardig om te weten is dat Ridderkerk op 1 januari 1840 4277 inwoners had, 2075 mannen en 2202 mannen.
Zo werd in het boekje onder meer de toestand van het Ridderkerkse wegennet en de verlichting ervan beschreven:

Rijsoord en een deel van Ridderkerk waren bevoorrecht met de Straatweg; verder was er in Ridderkerk alleen bestrating in de kom van Ridderkerk. Voor het overige was er nergens een behoorlijk wegdek. De wegen waren in het voor- en najaar modderpoelen. Soms kon de oogst niet van het land gehaald worden. Door de slechte toestand van de wegen maakten de voetgangers vaak gebruik van binnenpaadjes en planken over de sloten, de zogenaamde kerkpaden. De bewoners die dicht bij de Waal woonden gingen ook wel per roeiboot naar de kerk. Voor het vervoer van aardappelen en bieten maakte men wel gebruik van schouwen, waarmee de goederen over water naar huis getransporteerd werden. Andere producten bleven op het land staan, totdat de wintervorst de wegen weer begaanbaar had gemaakt.

Ook de verlichting van de wegen liet veel te wensen over. De eerste straatverlichting bestond uit een tiental olielampen in de kom van het dorp. Met een stevige wind waaiden deze pitjes uit. Buiten deze spaarzaam verlichte stukken was er helemaal niets en als men 's avonds beslist uit moest, ging men dus gewapend met een lamp op stap. In de huizen was men aangewezen op het oude tuitlampje, waarin olie werd gestookt. Bij bijzondere gelegenheden werd door de meer gegoeden gebruik gemaakt van kaarsen.

Een markante figuur in de dorpsgemeenschap was de lantaarnopsteker. Het onderhouden, opsteken en doven van de lampen werd door de gemeente uitbesteed. ’s Avonds tegen donker ging de lantaarnopsteker met zijn laddertje op pad en tegen half elf mocht hij zijn tweede ronde maken, nu om ze uit te blazen. Het vullen van de lampen en het schoonmaken van de glazen was natuurlijk werk voor overdag. Voor de te ontvangen vergoeding moest hij alles bijleveren, zowel de olie als de glazen. Hem was er dus alles aan gelegen de grootst mogelijke zuinigheid te betrachten, hoe minder hij besteedde des te meer hield hij van zijn vergoeding over. Ten einde te voorkomen dat hij zijn taak verwaarloosde en dus trachtte te veel over te houden, werd hij van gemeentewege gecontroleerd. De eerste keer, dat hij werd gesnapt dat het licht niet of niet behoorlijk brandde, kreeg hij een berisping; kwam het meer voor, dan werd hem een geldboete opgelegd. Omdat de inkomsten niet overweldigend waren, had hij ook nog andere baantjes.