De Molendijk in Ridderkerk met links het doktershuis.

 

In onze tijd verwacht een ieder dat de overheid het welzijn der burgers verzorgt van de wieg tot het graf. In 1840 was men van mening dat de Staat zich niet mocht bemoeien met het leven der burgers, ook niet op het gebied van de Volksgezondheid. Epidemieën waren een bron van zorgen en van massale sterfte. Begin 1848 kreeg Nederland te maken met een choleragolf . Men had geen idee hoe de ziekte zich verbreidde: de helft van de slachtoffers overleed. Ook Ridderkerk werd door cholera geteisterd. Besmettelijke ziekten als cholera, tyfus, dysenterie en tbc veroorzaakten veel sterfgevallen, vooral onder jongeren. Ook de voedingsstoornissen bij ontbreken van borstvoeding waren de oorzaak van hoge zuigelingensterfte. In 1840 konden de besmettelijke ziekten zich gemakkelijk uitbreiden: er was geen waterleiding, privaten kwamen uit op dezelfde sloot, waaruit men was- en drinkwater putte. Men woonde in benauwde, overbevolkte woningen en er was veel drankmisbruik. Het vlassersbedrijf was ongezond; men werkte in een stoffige omgeving. De vrouwen moesten meewerken en ontbraken overdag in het gezin. De kinderen kregen te weinig borstvoeding. Onder de arbeiders zou de sterfte 50% hoger zijn dan onder de boeren.


Twee geneesheren.


In Ridderkerk waren in 1840 twee officiële geneesheren nl. Bernard Bos en Cornelis Leenheer. In Nederland was de maatschappelijke positie van de geneeskundigen omstreeks 1850 was over het algemeen bijzonder slecht. Er waren in 1840 landelijk te veel geneesheren, één op 819 inwoners, er waren veel kwakzalvers, men riep vaak te laat de hulp van de dokter in omdat er geen geld was. De dokters gingen zich toeleggen op de verloskundige praktijk; de vroedvrouw werd van dit arbeidsveld verdrongen. De bevalling bracht f 5,- op. Een lang bestaande vuistregel was: het honorarium van een bevalling is gelijk aan het weekloon van een arbeider.


Welgesteld.


Echter, in Ridderkerk en ook wel in de omliggende dorpen waren de geneesheren zeer welgesteld: ze hebben niet te klagen over hun maatschappelijke positie. Deze geneesheren waren afkomstig uit de gegoede burgerij; ze waren ook vaak door familiebanden met elkaar verbonden: familierelaties zien we bij de familie Bos in Ridderkerk en ook familie Nolen levert veel dokters in deze streek. In 1839 sterft de schatrijke dokter Pieter Eliza van Es. Hij heeft geen kinderen. De oudste van zijn drie nichtjes is Willhelmina van Eek. Zij erft verscheidene huizen, waaronder het nu nog bestaande doktershuis aan de Molendijk, en diverse landerijen. Zij is gehuwd met Bernard Bos, die dokter Van Es opvolgt. De andere 'dokter was Cornelis Leenheer. Hij woonde aan de Waaldijk sinds 1834. Hij was getrouwd
met de boerendochter Rookje Kranendonk en kocht in 1842 van zijn schoonvader een strook grond aan de Straatweg, waarop hij het doktershuis "Weltevreden" liet bouwen.


Slecht begaanbaar.


De geneeskundigen van 1840 gebruikten misschien wel meer en beter hun zintuigen bij het onderzoek van hun patiënten dan de moderne artsen. Met het oog, het gehoor en het gevoel en ook wel met de reuk en de smaak werd de diagnose gesteld. De sterfte was enorm, 5% van alle geborenen komt dood ter wereld. Na vijfjaar is van de overigen nog 2/3 in leven. Na 25 jaar leeft de helft nog. In 1850 is de gemiddelde levensduur 32 jaar". Het eiland IJsselmonde was een afgesloten geheel, de wegen waren slecht begaanbaar. Er waren weinig contacten van de geneesheren op het eiland met de geneeskundigen in de stad: Rotterdam of Dordrecht. In 1860 staat in een rapport "dat zeer zelden hetzij tot verrigting van gevaarlijke operatiën hetzij bij ernstige ziektegevallen de hulp der geneesheren en heelmeesters van Rotterdam en Dordrecht werd ingeroepen, ofschoon door de gemakkelijke communicatie dier beide steden met het eiland hiertoe gereede aanleiding schijnt te bestaan". (Uit: Boekje no.14 (1990) Ridderkerk en Rijsoord omstreeks het jaar 1840)