Het familiekapitaal dreigde opgedronken te worden.

 

Dirck Aert Heymanszoon was een jongeman uit Ridderkerk. In 1588 maakte zijn vader zich zorgen. Dirck zoop en smeet zijn geld weg aan onzinnige dingen: "Dilapiderende ende deurbrengende, zoo mit onnutte koopmanschappen, drinckgelaghen, ende andere middelen strekkende ter zynder grondelose bederffenisse, waer deur hy geschapen soude zyn ten lesten te geraecken ende commen tot armoede ..." Als dat zó zou doorgaan dan zou het familiekapitaal in korte tijd verdwenen zijn. Vader klaagde zijn nood bij de schout van Ridderkerk en bij de hoge vierschaar van Zuid-Holland. Die boden aan vader te helpen de financiële misère binnen de perken te houden. Zowel via de hoge vierschaar van Zuid-Holland als via het Gerecht van Dordrecht werd vanaf het bordes van het stadhuis van Dordrecht, Ridderkerk en van de omringende dorpen na klokgeklep afgekondigd dat niemand nog geld van Dirck mocht lenen of aannemen of handel met hem mocht drijven. Aan de herbergiers van stad en regio werd verboden hem toe te staan om nog aan anderen rondjes te geven. Nu ja, als Dirck voor zichzelf een drankje bestelde dan mocht hem dat nog wel geschonken worden. Hij zou "tot een stooter of vijff grooten" (twee en een halve stuiver) mogen poffen. Maar benadeelden zouden in het vervolg geen verhaal meer kunnen halen op Dirck of zijn familie.


Het testament was geldig.


Claes Cornelisz, een inwoner van Ridderkerk, was in 1605 overleden. Kennelijk was hij ten tijde van zijn overlijden dement. Hij werd door zijn teleurgestelde erfgenamen omschreven als "... geheel innocent ende cleyn van sinnen, ende niet gequalificeert om testament te moegen maecken. Sulcx dat hy oick tselve testament nyet vrywillichlick, maer door misleydinge soude werden gemaeckt te hebben. ... Dat oversulcx de gedaechdens hen billick behoirden hadden geschaempt te hebben henluyden met (dit) testament te behelpen."
Dus de benadeelde partij vond dat de dementerende stakker nooit vrijwillig een dergelijk testament zou hebben laten opstellen, maar dat hij was misleid en gedwongen. En dat de voornaamste erfgenaam zich zou moeten schamen dat hij misbruik had gemaakt van dit volstrekt ondeugdelijk testament.
Degene die zich volgens de eisers zouden moeten schamen waren Bartholomeus en Pieter Adriaensz, halfbroers van de overledene. Maar ja, Claes had al twaalf jaar eerder, op 6 Februari 1593, zijn testament gemaakt voor notaris van den Corput, waarbij hij zijn halfbroers van moederszijde tot voornaamste erfgenamen had benoemd. Claes was toen helder van geest geweest. Dat was bevestigd door notaris Franchoys de Bruykere en Jan Janz kleermaker die in 1593 als getuigen bij het passeren van het testament aanwezig waren geweest. Daarbij hadden die verklaard dat Claes "... gesont van lichame ende zyne memorie ende verstant over all wel machtich" was geweest. Maar het testament was in 1605 voor de andere familieleden van Claes een bittere teleurstelling. Dat waren de vrouw van de overledene plus Willem Thuenisz en Jan Cornelisz. Aan hen was elk slechts vijftig gulden erfenis toebedeeld, "tot een recognitie ende memorie." Dus uit dankbaarheid en als herinnering. Hun advocaat stelde dat Claes Cornelisz ook in 1593 al had geleden aan vallende ziekte. Dus hoe helder van geest was Claes toen geweest? De echtgenote samen met Willem Thuenisz (voorkind van moeder uit een eerder huwelijk?) en (zoon?) Jan Cornelis vochten het testament aan in een civiele procedure voor het Gerecht van Dordrecht.
Maar hun eis werd afgewezen omdat de overledene in 1593 wel degelijk goed bij zijn verstand was geweest. Ook al had de goede man epilepsie gehad, dan nóg was hij kennelijk in die tijd verder helder van geest geweest. "... sulcx all wast soe dat hy niette vallende sieckte behebt machte zyn geweest, dat hy oeck eenigejaeren naere tmaecken van zyn testament geworden mocht weesen innocent ofte in zyne sinnekens geraeckt, soe en machte daer door nyetgeque-relleert werden ..." 
Het zal tussen de erfgenamen niet meer goed gekomen zijn.
Bron: bij de redactie bekend. Harry Aardoom