Nummer honderd.

 

Mensen die overgevoelig zijn voor platvloerse uitdrukkingen kunnen nu beter iets anders gaan doen.
Een poosje geleden liep ik op een bazaar toen ik de man bij het rad van avontuur hoorde roepen; ‘de levensmiddelenmand gaat naar nummer honderd.’
‘Ja’, dacht ik , ‘daar komt uiteindelijk alles wat we eten terecht.
Vroeger als iemand naar de w.c. moest zei hij of zij vaak ‘ik moet even naar nummer honderd.’ Op school moesten we vragen of we even ‘naar achteren‘ mochten.
Waar die uitdrukking vandaan kwam weet ik niet, ik kan me niet voorstellen dat de w.c.’s ooit achter in het klaslokaal waren, maar je weet maar nooit.
Deftige mensen zeiden dat ze even ‘naar een zekere plaats’ moesten. De gewone mensen hadden het over ‘tante jetje’ of ‘het huisje.’
Dat huisje was vaak een hokje over een sloot of een greppel of zoiets. Een plaats waar je liever niet was, met in een plank een rond gat afgedekt met een houten deksel met knop, een stapeltje papierstroken, niet zelden kantenpapier, en een hartje in de deur zodat je kon zien of er al iemand op zat. ‘Op zijn gemak’, zogezegd.
Ik heb als kind eens de schrik van mijn leven gehad toen ik bij mijn oma in H.I. Ambacht was. Achter in de tuin was zo’n w.c. die ze deelde met de buurvrouw, voor mij als kind het prototype van een heks; verwarde haren, wratten en een paar tanden afwezig. Toen ik op een keer naar de w.c. moest bleek die bewuste buurvrouw er op te zitten. Ik was nog te klein om door het hartje te kunnen kijken en trok nietsvermoedend de deur open. De beschrijving van de aanblik van de buurvrouw in haar volle glorie zal ik u besparen, ik droom er nog weel eens van en ik kan u verzekeren dat dit niet mijn topnachten zijn.
W.c.’s en aanverwante zaken hadden vroeger een groot aandeel in de gezegdes en uitdrukkingen. Niet allemaal even fraai maar ik heb ze ook niet verzonnen dus houdt u mij voor verontschuldigd.
Een heel bekende was ‘een vlag op een strontschuit.’ Nette mensen zeiden ‘een modderschuit’ maar ‘strontschuit’ bekt natuurlijk veel lekkerder.
’Poep je niet, dan rust je toch‘ ook een bekend opschrift op toiletten  evenals ‘hier rust en rot het stoff’lijk overschot van de middag- en de avondpot.’ Kennelijk geschreven door iemand die niet ontbeet.
‘Zijn kleren waren één ‘piskreuk’ zei mijn moeder wel eens van mij.
Hij is zo vlug als ‘dikke stront door een dun buisje’ zei men van een traag iemand en weet u wat onmogelijk is ‘een scheet op een plankje spijkeren.’ Dat valt inderdaad niet mee.
Iemand die overdreef maakte ‘van een scheet een donderslag’ en iemand die iets niet hoorde werd gevraagd of hij soms ’ stront in zijn oren ‘ had.
Een vrouw met veel verbeelding was een ‘kakmadam’ of had ‘kouwe kak’ en een kind wat stout was kreeg ‘billenkoek’. En een bang iemand was ‘een schijtlijster’ of een ‘schijthuis.’
Sommige mannen hadden een ‘zeiksnor’ en als ze afschoren een ‘blotekontengezicht.’
Lachen om niets was ‘lachen om een scheet’ en als er iets mis was, was er  ‘poep aan de knikker’  en sommige mensen voelden dat ‘aan hun water.’
Diarree heette ‘spuitpoep’, ‘racekak’ of ‘slingerschijt’ en iemand die zich nergens iets van aantrok had overal ‘schijt aan.’
Als iets gemakkelijk ging was dat ‘poepen zonder douwen’ en iemand waar je niks mee te maken wou hebben kon ‘de pot op.’
Op het toilet ging je ‘een bruine trui breien’, ‘je rug met een stippellijn verlengen’ of ‘uit de broek.’
Iemand die voor de gek gehouden werd, werd ‘te kakken gezet’ en mannen gingen op het urinoir  ‘hun zwager een hand geven.’
Als je aan iemand vroeg; ‘waar ga je naar toe?’ kon je als antwoord krijgen; ‘naar scheetjeboe. Een drolletje begaven en jij mag het kistje dragen’ en als je vroeg ‘wie’ kon je als antwoord krijgen ‘drolletje drie.’
Het slaat nergens op, dat geef ik toe maar ik geef het alleen maar door, ik heb dit ook niet verzonnen.
Een plusfour heette ‘een drollenvanger’ in de volksmond en als iemand als eerste een wind rook zei men ‘wie het eerste ruikt heeft zijn kontje gebruikt.’
Aan iemand met veel verbeelding werd gevraagd ‘drol, wie heeft je gescheten?’
(bent u er nog???)
Tot slot een verhaaltje dat ik lang geleden hoorde; Een dominee fietst door de polder en ziet één van zijn schaapjes, de boerenknecht Krelis, hard aan het werk op het land. Hij stapt af, geeft de man een hand en zegt; ‘nou Krelis, jij werkt ook hard, je hand is nat van het zweet’ , waarop Krielis zegt; ‘nie dominie, k’het pas pist.’
Hè, hè, dat lucht op, het moest er even uit. De volgende keer maar weer wat nettere uitdrukkingen die er gelukkig ook nog genoeg zijn.

Teun Rijsdijk