Contact gegevens

Stichting Oud Ridderkerk

Kerksingel 26

2981 EH  Ridderkerk

Telefoon: 0180 - 430615

Email algemeen: info@oudridderkerk.nl

 

Openingstijden:

Woensdag 13:30 - 16:30 uur
Donderdag 13:30 - 16:30 uur
Vrijdag 13:30 - 16:30 uur
Zaterdag 13:30 - 16:30 uur

 

Toegang is gratis!

Expositie Agenda.


Donateur worden?


Privacy-verklaring


 

 

Op 20 oktober 1446 ontstond Ridderkerk

In 1446 werd door ambachtsvrouwe, Margriet van Comene, een handvest uitgegeven dat de basis vormde voor het bestuur in Ridderkerk. 1446 wordt daarom beschouwd als het ontstaansjaar van Ridderkerk.  Hieronder de oorspronkelijke tekst omgezet  naar hedendaags Nederlands. 


Wij, MARGRIETA VAN COMENE, vrouwe van Heestert en Heemsroede, Ambachtsvrouwe van Riederambacht, groeten u en maken bekend aan allen die
onze brief horen voorlezen dat blijkens rapportering van de Dijkgraaf en
Heemraden van Riederambacht (1) tot nu toe het recht om vee te schutten namens haar is uitgevoerd door de binnenlandse heemraden, die niet in het ambacht gegoed zijn; die (2) betreffende alle aangelegenheden van erfenis en onterving binnen het ambacht rechtskundige uitspraken hebben gedaan en tot uitvoering hebben gebracht; (3) dat voornoemde heemraden veelvuldig door haar vervangen worden door andere en (4) dat zij zich ook bezig houden, samen met de buren, met het recht uitoefenen en vorderingen instellen jegens diverse personen, die wel binnen het ambacht gegoed zijn, maar daarin niet woonachtig zijn, en met het afhandig maken van goed aan deze personen, zonder daar rechtsgrond aan te geven via enige juridische kennismaking in hun woonplaatsen, maar door zulks
eenvoudig weg binnen het ambacht zelf, waarin de goederen zijn gelegen, te
regelen, en voorts (5) dat er dagelijks veel schade wordt berokkend aan de oogst van de gezamenlijke ingelanden, omdat er tot nu toe niet genoeg schutters vanwege
haar zijn aangesteld om erop toe zien dat de koeien uit de akkers blijven, zoals men dat gewoon is te doen, welke wijze van schutten aan de ingelanden van ons ambacht veel schade heeft berokkend en tot nog meer schade zou leiden, indien er door ons geen voorzieningen zouden worden getroffen.

Derhalve hebben wij, na hiervan nota te hebben genomen, na rijp beraad verordineerd dat (1) in het vervolg onze dijkgraaf met onze wettig aangestelde rechter en schout elk jaar op St. Pieter in februari heemraden zal aanstellen, die
(2) in het ambacht gegoed zijn met tenminste een morgen land; (3) dat die heemraden een jaar lang in functie zullen blijven zonder uit hun ambt ontzet te mogen worden, tenzij ze zich tegen de ambachtsvrouwe zouden hebben misgaan;
(4) dat die heemraden binnenbans naar behoren het recht zullen hanteren, en (5) dat zij gehouden zijn jaarlijks de Hoge Heemraden (het dijkcollege) alle hun bekende gegevens betreffende koop, verkoop en vererving van binnen het ambacht gelegen land schriftelijk mee te delen, zodat het ambachtsboek door de Hoge Heemraden kan worden bijgehouden, om te voorkomen dat het naderhand aan kennis ontbreken zal. (6) dat noch deze heemraden noch de buren inzake schuldkwesties recht zullen
mogen hanteren voor wat betreft het binnen het ambacht gelegen goed van iemand die buiten het ambacht woont, tenzij deze daar van tevoren in zijn woonplaats gerechtelijk van in kennis is gesteld op kosten van de onderliggende partij; tenzij wanneer er sprake is van een schepenbrief of heemraadsverklaring of wanneer het een berechting betreft op grond van het Dijkrecht naar oude gewoonte; dat indien te eniger tijd de roedrager van de ambachtsvrouwe of degene die zij heeft belast met het schutten van haar land, in gebreke zou blijven zijn werk te verrichten of schutters aan te stellen, en er dientengevolge oogstbederf of -schade zou plaats hebben door vee, en indien zulks als een verzuim ter kennis van de Dijkgraaf ende Hoge
Heemraden zou komen, dat het dijkcollege dan zoveel schutters als nodig
zouden zijn, zou mogen aanstellen en beƫdigen om als zodanig werkzaam te
zijn, totdat de ambachtsvrouwe deze zal willen vervangen door andere schutters, en
(7) dat de door haar aangestelde roedrager en met de uitvoering van het schutten belaste beambte altijd de helft zal mogen incasseren van wat de ander
zal schutten.

Al hetwelk wij tot nut van het eerder genoemde land en de daarop wonende ingezetenen hebben verordineerd, om door ons en onze nakomelingen ten eeuwige dage nagekomen te worden.

Gegeven en bezegeld op 20 oktober in het jaar onzes Heren 1446.