Contact gegevens

Kerksingel 26
2981 EH  Ridderkerk

Email algemeen: info@oudridderkerk.nl

Bankrekeningnummers:

NL40RABO0355484838

NL93INGB0004208049

KvK-nummer: 41126694

RSIN: 009623851

 

Openingstijden:

 

Woensdag 13:30 - 16:30 uur
Donderdag 13:30 - 16:30 uur
Vrijdag 13:30 - 16:30 uur
Zaterdag 13:30 - 16:30 uur

 

Toegang is gratis!

Expositie Agenda.


Donateur worden?


Privacy-verklaring


Deze website wordt gebouwd, onderhouden, gehost en gesponsord door:


 

A. van Ostade, dorpsschool in de zeventiende eeuw, museum Boijmans van Beuningen.

 

Van kwaad tot erger.

Op 6 december 1648 ontving de kerkenraad een brief van Huijbrecht Cornelis met forse beschuldingen aan het adres van meester Pieter Gerritse van Eijnhout en zijn vrouw Lijsbeth. Op 18 november had hij “des avonts sulck een geraes, getier en gekijf” gehoord, “alsoo de kindren riepen: “O moeder, en doe het niet”, soo dat de bueren te samen quamen en seijden: “laet ons daer ingaen, want sij sullen malkanderen om hals brenghen”. Lijsbeth was echter naar buiten gekomen en had hem voor luistervink uitgescholden en gezegd dat zij hun kinderen aan het bestraffen waren. Huijbrecht somde negen punten op in zijn brief. 
Huijbrecht en andere getuigen werden voor de kerkenraad ontboden en bevestigden zijn verhaal. Ook meester Pieter en zijn vrouw werden gehoord. De meester antwoordde dat hij eigenlijk met zijn vrouw niet had geruzied, maer dat zijn vrouw de kinderen aan het “opvoeden” was. De getuigen hebben allen gezegd, “dat se seer groot gebeer en getier maeckten”. En Hendrick Jansen zei zelfs, dat hij de vrouw van de schoolmeester heeft horen roepen: “Gij vermoort mij, gij vermoort mij”. 
Huijbrecht klaagde ook nog, dat meester Pieter tegen de predikant leugens over hem had verteld. Dit punt werd niet ontvankelijk verklaard, “omdat hij tot laste brenght van den schoolmeester ‘t geen omtrent de vier of vijf jaren was vergeven en vergeten van hem geseijt, dat hij moste spreecken van ‘t gene geschiet was sedert hare laetste opneminge tot het H. Avontmael”. Dit laatste toont de vergevende werking van het Heilig Avondmaal duidelijk aan.

De klagers verzochten “dat meester Pieter van sijnen dienst mocht worden afgesedt, opdat alle ergernissen mochte worden weghgenomen, en dat het schande was dat so een dat woort Gods in de gemeijnte voorlas”. 
De kerkenraad heeft de schoolmeester en zijn vrouw de aantekeningen in het notulen boek tweemaal voorgelezen. Zij stemden in met de tekst. Daarop vroeg de kerkenraad hen, of zij zich wilden onderwerpen aan het oordeel van de kerkenraad. Ook daar stemden zij mee in. Op 20 januari hebben meester Pieter en zijn vrouw hun fouten voor den kerkenraad bekend, en gevraagd of dat men de gegeven ergernis voor deze keer “nochmael insien, beloovende groote beterschap in ’t toekomende”. Dit is opnieuw goed gevonden. De kerkenraad  bestrafte hen ernstig en vermaande hen over ’t gepasseerde, en zei, “dat dit niet nae hare verdiensten, maer uijt enckel mededoogentheijt en geschiet, siende op wijf en kinderen, ende haerer allen lichamelijck verderf”. 
Een paar maanden later kwam de schoolmeesters vrouw met Hendrick Jansen tot een handgevecht, waarbij de meeste schuld op Hendrick gelegd wordt. Het gaat niet goed. Op 29 juni waren meester Pieter Eijnhout en zijn vrouw opnieuw ten huize van de predikant. Lijsbeth kon niet tot verzoening gebracht worden en verklaarde “dat het maer een gedronghen versoeninge soude sijn, en dat sij haer hert niet en konde gerust stellen om ten Avontmael te gaen”. 
Het huisbezoek is op 11 en 12 april 1650 gedaan door ouderling Jan Roelen en de predikant en is er niets bijzonders voorgekomen, dan alleen dat Lijsbeth zich wederom ongerust aanstelde, “niet willende eijgentlijck openbaeren waerom”. 
In het huisbezoek van juni 1650 worden meester Pieter en zijn vrouw opnieuw aangesproken en ondervraagd worden over het veelvoudig “kijven, baeren, tieren, vloecken, etc.”, dat nu vele dagen in zijn huis is gehoord, ”tot groot schandael en opspraeck van alle man, die daervan de mont vol hebben in schuijten ende alle bijeenkomsten”. 
Lijsbeth had inmiddels weer gevochten en heeft Adriaen Van der Steen “een blauw en dick ooghe geslaegen in de herberge”. De kerkenraad verbiedt nu het schoolmeesters echtpaar opnieuw ten Avondmaal te gaan en ontslaat hem op staande voet van zijn kerkendienst “alsoo daer geen beterschap en staet te verwachten”. Hem zal aangezegd worden dat de kerkenraad in die tijd een andere voorlezer zal zoeken. Het is 27 juni anno 1650. 
Het boek, waar nu over gesproken is, heeft als titel “Gemeente in opbouw” en is te koop in de Oudheidkamer van Ridderkerk. De uitgave is ruim 350 pagina’s, met diverse afbeeldingen.

 

Marinus Hofman, voorzitter Archiefcommissie hervormde gemeente Ridderkerk.

 

Vervolg Uniek ooggetuigenverslag deel 6.