De eerste ambtsketen voor de burgemeester van Ridderkerk.

 

Kortgeleden stond in de Oudheidkamer de tentoonstelling "Ridderkerk en de Eerste Wereldoorlog" opgesteld. In één van de vitrines was de oude ambtsketen van de vroegere Ridderkerkse burgemeesters te bewonderen. In 1982 schreef de toenmalige gemeentearchivaris, de heer J.WA. van der Blom, er het volgende over: In de gemeentewet van 1851 werd bepaald, dat door de Kroon uitgemaakt werd welk onderscheidingsteken door de burgemeester gedragen zou worden. Bij Koninklijk Besluit van 16 november 1952 [Staatsblad no. 201] werden nadere voorschriften gegeven. Het werd noodzakelijk geacht voor te schrijven bij welke gelegenheid dat teken gedragen zou moeten worden. Het moest bestaan uit een zilveren penning. Deze had een middellijn van veertig strepen. Het vertoonde aan de ene zijde het wapen van het Rijk en aan de andere zijde het wapen van de gemeente. Had de gemeente geen wapen dan werd de naam van de gemeente vermeld. De penning hing op de borst aan een zilveren keten of aan een oranje zijde lint. De keten of het lint werd op de beide schouders "aan den rok of het opperkleed" vastgehecht.
Het onderscheidingsteken werd door de burgemeester gedragen: wanneer hij de vergadering van de gemeenteraad voorzat en in geval van brand of oproerige beweging, van samenscholing of andere
verstoring van de openbare orde, wanneer hij zich in het openbaar vertoonde en bij plechtige gelegenheden, wanneer hij namens de gemeente opkwam. Bij ontstentenis van de burgemeester werd het gedragen door degene, die hem verving.
Dit besluit trad op 1 januari 1853 in werking. De minister van binnenlandse zaken was belast met de uitvoering. Bij resolutie van het college van . gedeputeerde staten van 8 december 1852 [Provinciaal Blad no. 141] werd het gemeentebestuur uitgenodigd het onderscheidingsteken van de burgemeester op kosten van de gemeente aan te schaffen. Het gevolg zou zijn, dat deze het eigendom van de gemeente zou blijven. Het was niet nodig, dat een keten én een zijden lint voor het dragen van de penning werd aangeschaft. Slechts één van deze beide voorwerpen was voldoende. Bij het te nemen besluit werd de vrijheid gelaten om de keten in zodanige vorm te doen vervaardigen en het lint op zodanige breedte te dragen als hij, die het teken bekostigde, goed achtte.
Gemeentewapen
Om de eenvormigheid van de penning te bevorderen was het college van gedeputeerde staten bereid om, overeenkomstig het aanbod van de graveurs bij 's Rijks Munt te Utrecht, te zorgen, dat die penning tegen de prijs van tien gulden mét het gemeentewapen en van zes gulden zónder het gemeentewapen door tussenkomst van het Provinciaal Bestuur gemaakt werd. Het gemeentebestuur werd uitgenodigd om aan het college van gedeputeerde staten op te geven of zij tot het aankopen van het onderscheidingsteken op
kosten van de gemeente besloten had. Verlangde zij de penning door tussenkomst van "deze Vergadering" te ontvangen, dan zou tevens opgegeven moeten worden of de gemeente een wapen had. In dat geval moest een afschrift van het besluit van de Hoge Raad van Adel worden overgelegd.
Daaruit zou moeten blijken, dat de gemeente tot het voeren van dat wapen gerechtigd was. Een afbeelding of een duidelijk afdruk moest worden gegeven om op de keerzijde van de zilveren penning het wapen te doen graveren. In de raadsvergadering van 24 december 1852 deelde de voorzitter mede, dat het onderscheidingsteken met de daarbij behorende keten door hem was besteld bij P. de Meijer, goud- en zilversmid te 's-Gravenhage, waarvan de kosten twee en twintig tot vijf en twintig gulden zou bedragen. Met algemene stemmen werd besloten het bedoelde onderscheidingsteken van de burgemeester met toebehoren voor rekening van de gemeente aan te schaffen en daarvoor een bedrag van vijf en twintig gulden beschikbaar te stellen.