Contact gegevens

Stichting Oud Ridderkerk

Kerksingel 26

2981 EH  Ridderkerk

Telefoon: 0180 - 430615

Email algemeen: info@oudridderkerk.nl

 

Openingstijden:

Woensdag 13:30 - 16:30 uur
Donderdag 13:30 - 16:30 uur
Vrijdag 13:30 - 16:30 uur
Zaterdag 13:30 - 16:30 uur

 

Toegang is gratis!

Expositie Agenda.


Donateur worden?


Privacy-verklaring


 

Coosje Ayal na WO II in Australië (l) en op latere leeftijd met haar onderscheidingen (r).

 

 

Voor de rubriek terug in de tijd is dit een stukje bijzondere geschiedenis van een Molukse heldin, die vanaf de zestiger jaren van de vorige eeuw in Ridderkerk woonde in de Talmastraat samen met haar partner Fred Havelaar. We hebben het dan over Costavina (bijnaam Coosje) Ayal.  Fred Havelaar, die met meerdere vanuit voormalig Nederlands-Indië in 1952 teruggekeerde KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger) militairen werk vonden in o.a de scheepsbouw werkte bij Boele Bolnes. Ik ontdekte haar geschiedenis door een gesprek met haar ook bij Boele werkende zoon Eldon Evers. Hij wist dat ik betrokken was bij de Ridderkerkse Indië veteranen en vertelde mij dat zijn moeder als jong meisje in Nieuw Guinea samen met een detachement KNIL militairen tegen de Jappen had gevochten. 
Coosje is geboren op 15 april 1926 op een klein eilandje bij Ambon. Ze was het tweede kind in een  familie met vijf kinderen.  Op jonge leeftijd is ze door een oom en tante geadopteerd. De oom was   bestuursambtenaar  in Monokwari op Nieuw Guinea. (vanaf 1962 Irian Djaja). Ze kreeg een opleiding op een Hollandse school met een strenge opvoeding. In april 1942, toen ze zestien jaar was, vielen de Japanners Nieuw Guinea binnen en begon voor haar de strijd in de jungle. 
De belevenissen van Coosje in het oerwoud van de Vogelkop op Nieuw Guinea
In maart 1942 waren de Japanse troepen Java binnengevallen en hadden een groot deel van Nederlands-Indië in handen. Het KNIL had geen weerstand en binnen enige dagen was de strijd beslist. In Nieuw Guinea wist men dat ook dat land zou worden aangevallen. De garnizoenscommandant, de kapitein J.H.B. Willemsz. Geeroms, ging er vanuit dat er een guerrilla zou ontstaan en had tijdig in het oerwoud bivakken ingericht met een voorraad levensmiddelen en munitie. De oom en tante en Coosje waren daarbij al betrokken. Toen  het detachement zich had teruggetrokken, na de inval van de Japanners,  naar het ingerichte bivak, konden ze aanvankelijk  voor de eigen voeding zorgen door het verbouwen van bonen, tomaten en aardappelen. De groep van de kapitein bestond uit 76 militairen en de oom en tante en Coosje.  Dagelijks werd de driekleur gehesen. Deze vlag zou de gehele verzetsperiode meegaan. 
Op 15 november werden de bivakbewoners verrast door een aanval van de Japanners. Vijf militairen sneuvelden en de rest wist te ontsnappen in het oerwoud. De veiligheid was voorbij en de Japanners  bleven de groep achtervolgen. Ook de mannen van de kapitein Geeroms werden niet alleen aangevallen maar ook zij vielen de bivakken  van de Japanners aan om voedsel en munitie te bemachtigen. Bovendien was er  angst dat ze door de Papoea's, die voor elke dode KNIL-strijder een gulden ontvingen, zouden worden gedood. Ten einde aan het voedseltekort iets te doen besloot de kapitein een tocht te beginnen naar de noordkust van de Vogelkop, waar sagopalmen konden voorzien in het tekort. De uitgedunde groep trok door gebieden, die nauwelijks begaanbaar waren, veel heuvels en hoge bergen en vooral ’s nachts werd er gelopen. 
Soms waren ze verkleumd van de kou en er ontstond een tekort aan zout. De situatie was zo kritiek dat iedereen vuil aflikte, dat uit het zweet uit de lichamen was achtergebleven.  Ook werden ze nog steeds vervolgd door de Japanners. De groep was geslonken tot 42 man, door gesneuvelden en door ziekte .Hun uniformen waren verbleekt en hingen in flarden om hun vermagerde lichamen. Schoenen had niemand meer en men sjokte barrevoets door de jungle. Coosje kreeg het moeilijk, ze kreeg dysenterie, malaria en beri beri. Ze hadden al vier dagen niet gegeten. En alleen als het regende vingen ze het water op. Coosje waarschuwde haar oom en zei: “Gaan jullie maar verder, ik kan niet meer”. (wordt vervolgd)